 |
| |
|
C O L U M N S |
|
|
|
|
|
dag van de nieuwe krant
VERSIEREN IS EEN KUNST - JITSE SCHUURMANS
Over Olifanten, Paarden en Muizen - Yolanda van Ede
Hoe Maak Je Lol in de kroeg - Michiel Baas
|
|
|
|
| |
Dag van de nieuwe krant
Vijf mannen staan op de uitkijk voor het kleine distributiecentrum in Haarlem, als ik om half negen aan kom lopen. Ze staren zwijgend voor zich uit. “Goedemorgen heren!”, roep ik enthousiast. Ze mompelen iets onverstaanbaars en turen verder in de verte. Het is mistig. “Is-ie er nog niet?”, vraag ik. “Nee, nog geen krant”, antwoordt Kees, terwijl hij behendig een shaggie tussen zijn bruine vingers draait.
Het is de ‘dag van de nieuwe krant’, zoals dat heet bij Straatjournaal. Een maandelijkse, multiculturele happening, waarbij alle straatverkopers aanwezig zijn om de nieuwe maandeditie uit te laden en naar de opslag te sjouwen.
Geroezemoes, gerinkel en rookwalmen komen me tegemoet, als ik naar binnen stap voor een kop koffie. Aan ieder tafeltje wordt druk munten geteld, koffie gedronken en bijgepraat. Drie Armeense vrouwen kakelen luidruchtig aan de achterste tafel. Hun mannelijke wederhelften zitten een tafeltje verderop; ze zwijgen en roken zware shag. Vlakbij de verkoopbalie zit de nieuwe verkoper, een jongeman uit Burundi. Hij heeft een wollen muts op en leest hardop voor uit het Haarlems Dagblad. Niemand luistert. “Hallo mevrouw Jessica – mooi weer!”, roept hij plotseling. Ik kijk verbaasd naar hem om. Toen de jonge vluchteling zich een maand geleden aanmeldde had ik een tolk nodig om hem de regels uit te leggen; inmiddels strooit hij kwistig met Hollandse waarheden: Mooi weer, krantje kopen, twee euro, alstublieft, dank u wel, doei. “Doei is niet netjes, zegt Dirk, een Haarlemse verkoper van het eerste uur. Tot ziens moet je zeggen. Of: Fijne dag verder. Da’s ook beter voor je fooi.” De jonge Burundees knikt en zegt het hem na: “Wijne dak vedder. Fooi.”
Verkoper Ali uit Irak roert stuurs in zijn koffie en kijkt strak voor zich uit. Als ik vraag hoe het met hem gaat, zegt hij dat hij een klacht wil indienen tegen collega-verkoper Mohammad uit Iran. Die heeft hem uitgescholden voor de supermarkt waar hij verkoopt. De twee mannen hebben altijd ruzie. Waarom of waarover is nooit duidelijk. Hun animositeit heeft ongetwijfeld te maken met hun etnische achtergrond, maar dat wordt niet hardop uitgesproken. Ik beloof dat ik met Mohammad zal spreken over het voorval. Ali knikt, stopt met roeren en neemt een slok van zijn mierzoete koffie.
Even later meldt de Bulgaarse Katja zich discreet in mijn kantoortje. “Mijn broer is net aangekomen. Geen geld. Hij wil ook verkopen. Heeft u een pas voor hem?” Ze overhandigt me een grote bos bloemen en wil mijn hand kussen. Ik weer haar buigende beweging af en duw de bloemen terug in haar handen. “Voor u!”, roept Katja onthutst. “Nee, geen cadeautjes, dat heb ik al zo vaak gezegd. Je broer kan maandag langskomen voor een interview”, antwoord ik zo streng mogelijk. Veel verkopers komen uit landen waar je zonder ‘gift’ niets voor elkaar krijgt. Dat dat hier niet (altijd) opgaat, vinden ze onbegrijpelijk – hoewel de meesten het na verloop van tijd gelukkig opgeven.
Toen ik vijf jaar geleden solliciteerde bij deze krant was ik me er niet van bewust dat mijn antropologische achtergrond zo relevant zou zijn. Meer dan 15 nationaliteiten lopen hier rond: van Nederlands tot Congolees; van Wit-Russisch tot Irakees. Hun gemene deler: ze redden het niet in Nederland. Ze hebben de straatkrant nodig om rond te komen, om sociale contacten op te doen, om wat om handen te hebben. De dagen zijn lang als je niets hebt. De een mag niet werken omdat-ie in een eindeloze asielprocedure zit; de ander kan geen baan vinden of houden omdat-ie verslaafd, dakloos of ernstig in de war is. Hier, bij Straatjournaal, moeten ze het samen zien te rooien: de jonge ex-zoutverkoper uit Burundi, de ex-chemisch analist uit Irak, de ex-tegelzetter uit Haarlem en de ex-mechanisch ingenieur uit Armenië.
Ik hoor lawaai buiten. Een ronkende motor. Kees steekt zijn hoofd om de hoek van de deur en schreeuwt: “Krant!”. De jonge Burundees sjeest naar buiten. De anderen stommelen achter hem aan. Samen brengen ze de buit naar binnen. De nieuwe maand is begonnen. |
|
Drs. Jessica Hoogenboom (1977, Woerden) – culturele antropologie/niet-westerse sociologie 2004, Universiteit van Amsterdam - is hoofdredacteur en coördinator van Straatjournaal in Haarlem. Voor haar masterscriptie deed Hoogenboom onderzoek naar de postkoloniale en transnationale identiteitsvorming van de Franco-Indiase gemeenschap in Pondicherry, Zuid-India. Na haar afstuderen was ze twee jaar hoofdredacteur van IndiaNu, het ledenblad van de Landelijke India Werkgroep te Utrecht, alvorens ze aan de slag ging bij het Noord-Hollandse dak- en thuislozenproject. |
|
| |
|
|
|
|
| |
Versieren is een kunst
Terwijl mijn studiegenoten zich zouden storten op restanten van tribale samenlevingen - en daarbij gebukt zouden gaan onder fysieke ongemakken die in zulke settings schering en inslag zijn - reisde ik in 2009 af naar Bay Area in San Francisco, Californië, om daar het zorgeloze leven van een playboy te gaan leiden. Een aantrekkelijk vooruitzicht met een interessant onderzoeksonderwerp, mede geïnspireerd op en door het boek The Game, van journalist Neil Strauss, dat verhaalt over een mannengemeenschap die het versieren van vrouwen tot kunstvorm tracht te verheffen. De zogenoemde pick-up artists.
Uiteindelijk bleek mijn zonnige voorstelling niet met de werkelijkheid te stroken. Mijn wereld werd er niet één van champagne, bunnies en bubbelbaden. Nee, mijn wereld werd er één van cola, niet haalbare verlangens en software programmeurs. Het werd mij al snel duidelijk dat práten over versieren niet per se betekent dat je daadwerkelijk wéét hoe je (vrouwen) moet versieren. De afgelopen twee jaar heb ik echter ervaren dat dit onderzoeksresultaat er bij de meeste mannen beslist niet in wil. Op feesten en partijen krijg ik namelijk nog altijd de prangende vraag: “Zeg, hoe versier je nou een vrouw?”
Het is hét moment dat ik de exclusieve aandacht krijg van kritische vrouwenogen en gulzige mannenblikken. In het begin wilde ik er nog wel eens serieus op ingaan. Dan vertelde ik hoe versierkunstenaars (het versieren van) vrouwen benaderen, met daarbij de kanttekening dat dit niet wil zeggen dat deze verleidmethode resultaat oplevert. Meestal ontvouwde zich dan een leuk gesprek, want over versieren wil bijna iedereen wel wat kwijt.
Toch, hoe hard ik ook ontkende dat ik een versierexpert was, er waren altijd personen die dat in twijfel trokken. Zo werd ik tijdens een recent familiefeest gestalkt door een dronken oom, die de hele avond aan mijn hoofd zeurde met het verzoek hem te vergezellen naar de lokale disco. Ik bedankte voor de eer. Mijn oom wist echter van geen ophouden, dus toen ik het feest eenmaal verlaten had - en op weg was naar het station - haalde hij mij in volle sprint in. Om verder ongemak te voorkomen ben ik met hem meegegaan. Gelukkig werden we door de uitsmijter van ‘Bar Dancing De Giethorst’ geweigerd.
Opvallend genoeg waren het vooral mannen van middelbare leeftijd die geïnteresseerd waren in mijn onderzoek. Zo werd ik afgelopen zomer, op een lome zondagavond, opgebeld door de recentelijk gescheiden buurman van mijn ouders. Van hen had hij gehoord over mijn onderzoek naar een gemeenschap van verleiders. Buurman was gaan googelen en zodoende terechtgekomen op de website van een zekere Warren P., een voormalig beurshandelaar die tegenwoordig als versiergoeroe te boek staat. Warren was in Nederland voor een driedaags versierseminar en buurman wilde weten of ik vrijkaartjes kon regelen. Hij mompelde nog iets over ‘journalistieke doeleinden’, maar dat vond ik weinig geloofwaardig voor iemand die in de spruitjesteelt zit.
Niet alle verzoeken waren zo direct. In de maanden nadat mijn boek over de versierkunstenaars uitkwam, kreeg ik opvallend veel Facebook-vriendschapverzoeken; meestal van mannen die ik nog nooit eerder gezien had. Vaak waren deze spontane vriendschapsverklaringen vergezeld met uitnodigingen voor feestjes. Deze evenementen droegen pakkende titels als: ‘huisfeestje’ of ‘avondje stappen met de jongens’. Ik voelde me vereerd, al had ik geen idee wie ‘de jongens’ waren. Vreemd genoeg kreeg ik nooit uitnodigingen of vriendschapverzoeken van het vrouwelijk geslacht. |
|
Drs. Jitse Schuurmans (1981, Wageningen) - culturele antropologie/niet-westerse sociologie 2010, Universiteit van Amsterdam – deed veldonderzoek onder pick-up artists in San Francisco, Californië. Zijn masterscriptie verscheen in 2010 in boekvorm, onder de titel De versierkunstenaars. Schuurmans is vrouwenliefhebber, columnist, schrijver en als juniordocent verbonden aan de afdeling Sociologie en Antropologie van de UvA. |
|
| |
|
|
|
|
| |
Over olifanten, paarden en muizen
Toen ik Rajendra Pradhan - een Nepalese antropoloog die onderzoek heeft gedaan in het Nederlandse Schoonrewoerd - eens vroeg wat hij van Nederlandse vrouwen vond, antwoordde hij: “Mmm, ik vind ze net paarden. Ze lopen zo omhoog en zo snel. Geef mij maar Indische vrouwen. Die zijn meer geaard. Lopen als olifanten, zwaar, door de heupen. Dat is mooi.”
Die herinnering kwam terug toen ik later tijdens mijn eigen veldwerk in een Nepalese vallei door mensen voor een bahun didi (brahmaanse) werd aangezien. “Toen ik je aan zag komen lopen, had ik kunnen zweren dat je Rajastani was.” Dat was weken nadat ik, gedwongen door landschap en gezelschap, mijn enthousiaste maar uitermate vermoeiende paardengedraaf had ingewisseld voor een trage, schommelende wandelgang. Ik was “een dochter van de buren”: Indiaas, bijna net als zij, Nepalezen. Echter, eenmaal terug in Amsterdam werd die manier van lopen een beetje vervelend. Achter het Centraal Station, tussen thuis en Spinhuis, werd ik steeds aangehouden: “Zeg, moppie, wat kost ‘t?” .
Twee jaar geleden vertrok ik naar Tokio voor een onderzoek naar flamencodansers. Dit keer, dacht ik, moest mijn fysieke aanpassing sneller gaan. Om te beginnen had ik me volledig ingesteld op het linkse verkeer in Japan. Links passeren dus. Desondanks bevond ik me wekenlang in zo’n verwarrend heen-en-weer-dansje van twee elkaar tegemoetkomende mensen die allebei naar links en rechts stappen om niet tegen de ander op te botsen. Het frustreerde me. In gedachten schold ik dan: “Stomme Tokioten! Je ziet toch wel dat ik weet dat ik links moet houden!” Niet dus. De rest van mijn lichaamstaal verraadde me blijkbaar van mijlenver: ik was een gaiji, buitenlander, en de beleefde Japanners anticipeerden beleefd op mijn door hen veronderstelde onwetendheid.
Het moest gaan regenen tot ik, ineengedoken onder mijn paraplu lopend, plotseling besefte waar het probleem zat. Mijn stappen waren nu kleiner en behoedzamer, en mijn blik had zich - deels noodgedwongen door de plu, deels omdat ik de route onderhand wel kende - naar binnengekeerd. Zó liep je als je in Tokio thuis hoorde: als een minuscuul aura-zeepbelletje, dat moeiteloos langs miljoenen andere schuift op krioelende kruispunten en overvolle metrostations. Ik heb daarna ook op zonnige dagen nooit meer zo’n mal stoepdansje uitgevoerd.
Ik was veel te veel persoonlijke ruimte gewend in te nemen. In het begin kwamen Japanners niet naast me zitten in de metro. Dan ga je rare dingen denken. Zou ik stinken? Maar het had noch iets met een afstotende lichaamsgeur, noch met discriminerend gedrag tegenover buitenlanders dan wel vrouwen van doen. Mijn ellebogen staken gewoonweg te ver uit en mijn voeten waren niet netjes onder de bank gevouwen, waardoor ik ook feitelijk de ruimte van de vrije plaatsen naast en voor mij innam. Mijn medereizigers wilden zich niet in mijn persoonlijke veld dringen, terwijl ik mij hopeloos buitengesloten voelde.
Stukje bij beetje leerde ik als een klein Japans muisje betaamd hoe mijn ogen op te slaan en hoe lang te kijken, leerde ik mijn hand- en armbewegingen te beheersen en me zichtbaar of onzichtbaar, hoorbaar of onhoorbaar te maken - al naar gelang de situatie. “Are you Japanese, is your mother?”, vroeg een Amerikaanse collega. Op straat hield een oudere Japanse dame me beleefd aan: “Ik hoop dat ik u niet beledig, maar kunt u me misschien vertellen of er een Koreaans restaurant in de buurt is?” Ik was eindelijk weer “de dochter van de buren.”
Tegen het eind van mijn veldwerk kwam een Japanse vriendin uit Amsterdam over in Tokio. We spraken af op een klein station met maar één uitgang, zodat we elkaar niet konden missen. Toch sloeg de schrik me om het hart. Had ik Kazuko eigenlijk wel ooit goed aangekeken? Had ik haar niet altijd als vanzelfsprekend herkenbaar gevonden tussen alle andere mensen in Amsterdam? Stel je voor dat ik haar straks niet herken, tussen alle andere Japanners! Het schaamrood steeg me bij de gedachte alleen al naar het hoofd.
Dat gevoel verdween spoorslags toen ze boven aan de trap verscheen. Geen twijfel mogelijk: daar kwam de enige echte Japanse die al zeventien jaar in Nederland woont met grote passen op me af gedenderd. Wat was ze groot en fors! Toen ze de weg ging vragen aan een voorbijganger, kon ik het niet laten om te zeggen: “Kaz, niet zo hard. Je lijkt wel een Amsterdamse!” |
|
Dr. Yolanda van Ede (1962, Amersfoort, culturele antropologie/niet-westerse sociologie 1992; promotie antropologie 1999, Universiteit van Amsterdam) is sinds 2000 als universitair docente verbonden aan de afdeling Sociologie en Antropologie van de UvA.
Voor zowel haar doctoraalscriptie als haar promotieonderzoek deed Van Ede onderzoek in en naar een Tibetaans boeddhistisch nonnenklooster in Nepal. Inmiddels is ze teruggekeerd naar haar oude liefde: dansen. Daarvoor deed ze o.a. veldwerk in Tokio naar de ontwikkeling van een lokale, Japanse stijl van flamenco als werelddans-genre. |
|
| |
|
 |
|
|
| |
"Hoe maak je lol in de kroeg?"
|
|
|
|
| |
Ik heb Paresh net bij de bushalte opgehaald en nu staat hij met zijn jas nog aan, te kijken naar mijn boekenkast. Zijn muts en wanten heeft hij op tafel gelegd, zijn koffer staat midden in de kamer. Hij knikt goedkeurend: hij is in het huis van de onderzoeker. Als informant had hij me tot nu toe altijd op zijn terrein moeten dulden, nu zijn de rollen omgedraaid. Hij is naar Amsterdam gekomen als onderdeel van een korte backpacktrip door Europa. Terwijl hij een glas cola aanpakt vertelt hij honderduit van zijn belevenissen in Duitsland en België. Maar Amsterdam moet nog bijzonderder worden want hier kent hij tenminste iemand: mij.
Ruim vijf jaar ken ik Paresh nu. Ik kwam hem voor het eerst tegen in Melbourne toen ik mijn promotieonderzoek deed naar Indiase studenten in Australië. Ik was geïnteresseerd geraakt in deze groep omdat ze veelal ook migrant bleken te zijn en na hun afstuderen van plan waren een Australische verblijfsvergunning aan te vragen. Zo ook Paresh. Ik volgde hem in Melbourne gedurende een half jaar, sprak hem daarna weer in India toen hij voor een tijdje weer bij zijn ouders in Hyderabad was gaan wonen, en uiteindelijk logeerde ik nog een klein weekje bij hem toen hij, in het bezit van de Australische nationaliteit, in Canberra was gaan wonen en werken. Nu, ruim twee jaar later, woont en werkt hij alweer een jaar in Engeland. Alleen niet voor lang want hij is van plan om over twee maanden naar Palm Beach te verhuizen in de VS waar een vriend een IT bedrijfje heeft.
Maar nu is hij dus hier, in Amsterdam. Hij wil van mij leren, mailde hij voor zijn komst, want ik reis in zijn ogen heel veel. Het belangrijkste doel van de trip is meer te begrijpen van ‘de Westerling’ want hij blijft tegen allerlei culturele codes oplopen waar hij niets van snapt. Wat mopperig vertelt hij hoe zijn Brahmaanse opvoeding hem misschien wel allerlei nuttige morele waarden heeft bijgebracht maar hoe je met je collega’s lol moet hebben in de kroeg blijft voor hem een raadsel. Of hoe vraag je nu een meisje uit terwijl je niet van plan bent met haar te trouwen? Is dat niet oneerlijk? Hem lijkt van wel, maar om hem heen lijkt niemand er mee te zitten.
Terwijl hij zijn tas uitpakt, op zoek naar schone sokken en een ander shirt, vertelt hij dat hij vaak het idee heeft dat hij dingen mist. Hij omschrijft het als zijn ‘40-procent-probleem’: verder dan dat begrijpt hij de Westerse samenleving niet. Net alsof hij een verkeerd afgestelde bril op zijn neus op heeft staan waardoor er te weinig diepte in het beeld komt. Zijn ervaring op drie continenten en onderweg naar de vierde lijkt hem weinig kosmopolitische ervaring opgeleverd te hebben. Wat is dat toch?, vraag ik me af. Het is een probleem aan het worden, want zijn ouders willen dat hij gaat trouwen - maar hij moet er niet aan denken om een gezin te stichten in een ‘samenleving’ die hij maar half begrijpt.
“Moet jij niet trouwen”, vraagt hij ineens? “Ik heb toch een partner”, antwoord ik. “Dat is je huisgenoot”, werpt Paresh terug. “Nee, dat is mijn partner”, benadruk ik nog een keer. Ik vraag me af of hij het er nu om doet, maar Paresh blijft bloedserieus. Ik heb hem net het appartement laten zien met 1 slaapkamer en 1 tweepersoonsbed. Precies hetzelfde overigens als vijf jaar geleden in Melbourne, realiseer ik me ineens. “Ik ben homo, dat weet je toch wel”, vraag ik hem nog een keer? Even blijft het stil. Dan draait hij zich om en stelt redelijk overbodig nogmaals vast: “Er is dus veel dat ik mis”.
Als we even later op straat lopen zegt hij ineens: “Vandaar ook dat je dat boek, je promotieonderzoek, aan hem opgedragen hebt”. Terwijl we richting Roze Buurt lopen, bereidt ik me voor op hoe dat bij hem aan zal komen… |
|
|
|
|
|
Dr. Michiel Baas (1975, Hoorn) is onderzoeker en coördinator van het International Institute for Asian Studies (IIAS) in Amsterdam.
Voor zijn masterscriptie (culturele antropologie/niet-westerse sociologie, 2003) deed Baas onderzoek onder IT-professionals in de Zuid-Indiase stad Bangalore. Hij ontdekte daarbij onder meer dat veel Indiase jongeren in Australië willen gaan studeren. Die ontdekking werd het vertrekpunt voor zijn promotieonderzoek: Imagined Mobility: Migration and Transnationalism among Indian Students in Australia (2009, Universiteit van Amsterdam). |
|
| |
|
|
 |
|
|
|